Planten en dieren

De Weerribben en De Wieden danken hun status als nationaal park mede aan de enorme soortenrijkdom van het gebied. Je vindt er meren, sloten en vaarten,  hooilanden en weilanden, rietlanden en moerasbossen. Elk landschapstype is waardevol omdat er andere planten en dieren in voorkomen.

Open water
Water is de meest bepalende factor voor plant en dier in Nationaal Park Weerribben-Wieden. In het rustige water van de sloten en trekgaten groeien allerlei waterplanten zoals watergentiaan, kikkerbeet of krabbenscheer. Op en in het water leven tal van moerasbewoners zoals vele soorten watervogels en insecten, maar ook de otter. Langs de oevers groeien planten als zegge, waterzuring, watermunt en natuurlijk het riet. In het schone water leven vissen als blankvoorn, modderkruiper en snoek, maar ook vele waterinsecten als ruggenzwemmers, libellenlarven en kokerjuffers.
 
Trilveen
Zeer waardevol zijn de trilvenen. Trilveen, een belangrijk stadium in het proces van verlanding, is een soort drijvend tapijt dat net wel - of net niet- begaanbaar is. Alleen bij zuiver, helder water kan deze verlandingsfase op gang komen. Hier zijn orchideeën als groenknolorchis en veenmosorchis te vinden en voor een geoefend oog zelfs het zeer zeldzame rood schorpioenmos.
 
Hooiland en rietland
De wortelstokken en wortels van planten verstrengelen zich onder water. Zo ontstaan drijvende vegetaties - drijftillen of kraggen - die als ze dik genoeg zijn begaanbaar worden. Op de kraggen vinden we planten die horen bij vochtige, voedselarme graslanden. De echte koekoeksbloem, moeraskartelblad en verschillende soorten orchideeën groeien hier. De bloemrijke hooilanden trekken weer allerlei insecten aan, zoals het oranjetipje en de zilveren maan. Die op hun beurt vormen weer het voedsel van vogels. In het rietland komen weer andere soorten voor. Galigaan en moerasmelkdistel groeien er. Maar vooral voor vogels is het rietland belangrijk. De blauwborst en roerdomp vinden er broed- en schuilgelegenheid. Daarom is het belangrijk dat elk jaar een deel van het riet blijft staan: het zogenaamde overjarige riet. Kleine karekiet en bosrietzanger maken hun nest In de oude rietstengels, maar ook de dwergmuis vind je er. 

Moerasbos en eendenkooien 
Veel van de moerasbossen zijn ontstaan na 1950. Er werd steeds minder riet gemaaid, omdat de opbrengst van de oude, verdroogde rietlanden verminderde. Jonge boompjes werden niet langer verwijderd en konden doorgroeien. Rondom Kalenberg, Dwarsgracht en Belt-Schutsloot zijn zo veel moerasbossen ontstaan. De bossen rondom de eendenkooien zijn echter veel ouder. De meeste eendenkooien zijn hier in de negentiende eeuw opgericht. De kooiker plantte bos rondom de kooiplas. Het kooibos vormde zo een beschutte plek in het toen open landschap, waar de eenden kwamen rusten. Tegenwoordig zoeken otter en boommarter beschutting en rust in de oude kooibossen.